
Zondagmorgen, bij het ochtendgloren, bracht koning Filiep incognito een bezoek aan het zinkgat in de Leuvensesteenweg te Brussel. Vlak voor zijn aankomst werd nog vlug een zatte Brusselaar uit de krater gevist, luide godslasterlijke vloeken slakend.
De vorst boog zich over de rand van de donkere diepte, hief de armen ten hemel en riep: mon dieu, wat een gat! In de twee landstalen, zoals het hoort in Brussel.
Koen Vandeputte, ingenieur bij de watermaatschappij, gaf een omstandige uiteenzetting over de oorzaken en de gevolgen van ondergrondse bewegingen in onze hoofdstad. Daarbij de verpletterende verantwoordelijkheid van voorvader Leopold II in deze diplomatisch ontwijkend.
Brussel lijkt wel op gruyère kaas, vatte onze koning bondig samen en geeuwde, niet uit verveling maar door het vroege opstaan. Van de weeromstuit kon ook ingenieur Vandeputte, die er al een lange rit vanuit Vlamertinge had opzitten, het gapen niet onderdrukken.
Volgens de veiligheidsvoorschriften verwijderde de vorst zich achterwaarts van het gapende gat. Om zich haastig naar de koninklijke vijvers te begeven alwaar een roerdomp was waargenomen. Weinigen weten dat koning Filiep een verwoede vogelaar is en zo’n uitzonderlijk natuurverschijnsel niet wil missen.
Uit de schemering kwamen de bouwvakkers, allen met een migratieachtergrond, tevoorschijn en togen weer in het zinkgat aan het werk.
